Flex: daar zit een luchtje aan (2)

De Volkskrant pakte vandaag goed uit met een artikel over de verwoestende effecten van het groeiend marktaandeel tijdelijke huurcontracten: ‘Het leven van flexhuurders staat stil: “kinderen krijgen stellen we maar uit”.’ Jammer genoeg vergat de redactie -zoals gebruikelijk- om terug te blikken op de totstandkoming van het wetsvoorstel Doorstroming Huurmarkt 2015 (parlementair dossier: hier) dat deze ellende mogelijk maakte.

huisvesting arbeidsmigranten, Noordwijkerhout, eigenaar Flexwonen.nu

Stef Blok, die onder Rutte-II de scepter zwaaide over de portefeuille wonen, had zich bij de start in 2012 voorgenomen om binnen vier jaar de volkshuisvesting te transformeren tot een woningmarkt. Sociale huur moest gereduceerd worden tot een vangnetvoorziening voor de armsten, de rest van Nederland zou in zijn huisvesting gaan voorzien via de geneugten van de markt. Zijn beoogde instrumentarium: een verhuurderheffing van €2 miljard/jaar, uitsluitend voor betaalbare huurwoningen; extra huurverhoging voor iedere huurder die niet straatarm was (‘goedkope scheefwoners’); verhoging van de maximale huren door deze in belangrijke mate te baseren op marktwaarde als koopwoning; vermindering van de rechtszekerheid door het mes te zetten in het huurcontract voor onbepaalde tijd.

Stef liet er geen gras over groeien: binnen vier maanden na aantreding van het VVD-PvdA-kabinet had hij een woningmarktakkoord gesloten met D66, Christenunie en SGP, waarmee hij het grootste deel van zijn verlanglijstje kon realiseren: ook in de Eerste Kamer was een meerderheid nu afgedekt.

Volgende stap: het door de Kamer jassen van de benodigde wetgeving. Hierbij is het van belang te weten dat wetgeving die fundamentele zaken regelt vrijwel altijd een doorloop heeft van 1-2 jaar. Soms nog veel langer, zoals de Omgevingswet die nu 9 jaar onderweg is naar de eindstreep. De reden van die lange doorlooptijd is dat Kamerleden zo te tijd krijgen om het voorstel goed te bestuderen en hun licht op te steken bij praktijkmensen, alvorens ze schriftelijke inbreng leveren en het kabinet stevig aan de tand voelen over de hoofdlijnen en de details. Het kabinet reageert daarop in de Nota naar aanleiding van het verslag.

flexwonen voor jongeren/studenten, Amsterdam Zuidoost, eigenaar Change=

Daarna volgt een periode waarin kamerleden amendementen (wijzigingsvoorstellen op de wet) kunnen maken. Er is vanuit de juridische hoek regelmatig kritiek op de kwaliteit van amendering -en terecht- maar de andere kant van de medaille is dat haastwerk en kwaliteit niet samengaan. Kamerleden kunnen gebruik maken van de ondersteuning door juristen van bureau wetgeving van de Tweede Kamer. De kleine staf van dat bureau kan voor specialistische ondersteuning beroep doen op wetgevingsjuristen van de minister. Dat geeft al een wat ongemakkelijk gevoel omdat je feitelijk gebruik maakt van de partij wiens voorstel je wilt veranderen. Maar onder tijdsdruk sta je met name als kamerlid uit de oppositie onderaan de prioriteitenlijst. In deze periode kan je als kamerlid ook moties voorbereiden. Dat zijn verzoeken aan het kabinet, dus geen letterlijke aanpassingen van de wet. De formulering komt dus juridisch wat minder nauw, maar het is toch wel prettig als ook moties goed doordacht zijn. En het beperken van de hoeveelheid amendementen en moties is gediend met voldoende tijd voor kamerleden om met collega’s van andere fracties te overleggen over gezamenlijke initiatieven.

De volgende stap in een belangrijk wetgevingstraject is meestal een wetgevingsoverleg: een commissiedebat waarin al amendementen en moties kunnen worden ingediend. Na het wetgevingsdebat heeft de bewindspersoon dan de mogelijkheid om een Nota van Wijziging in te dienen, waarin hij het wetsvoorstel aanpast en eventueel amendementen op voorhand overneemt. Tenslotte volgt dan een afrondend debat (plenair debat), vaak in drieën: eerste termijn Kamer, schorsing, eerste termijn Kabinet, en een of twee weken later de tweede termijn van Kamer en Kabinet. Die een of twee weken kunnen gebruikt worden om amendementen aan te passen of te combineren. Het Kabinet kan opnieuw met een Nota van Wijziging komen. En tenslotte wordt er gestemd.

huisvesting arbeidsmigranten, De Kwakel, eigenaar Flexwonen.nu

Ik hoop hiermee duidelijk gemaakt te hebben dat zorgvuldige wetgeving tijd kost, meestal dus 1-2 jaar, inclusief de behandeling door de Eerste Kamer waar ik hier niet op in ga.

Bij de Wet doorstroming huurmarkt 2015 was de doorlooptijd 1,5 maand…. Inclusief twee weken kerstreces. Voor de schriftelijk inbreng kreeg de Kamer 6 dagen, de Nota naar Aanleiding van het Verslag plofte een week later in het postvak, twee weken later gevolgd door een plenair debat (nee: wetgevingsoverleg slaan we over).

Nog een week later: stemmen. Behalve de ondertekenaars van het woningmarktakkoord (VVD, PvdA, D66, Christenunie en SGP) stemden ook CDA, 50Plus, en de leden Kuzu en Öztürk (inmiddels Denk) vóór het wetsvoorstel. SP, PVV en GroenLinks stemden tegen. De Partij van de Dieren stemde per ongeluk voor, maar gaf na de stemming aan geacht te willen worden tegengestemd te hebben. De motivatie van PVV om tegen te stemmen was overigens een geheel andere dan bij SP, GroenLinks en PvdD: de fractie had al bij de schriftelijke inbreng aangegeven de wet niet te zullen steunen als deze niet ook een eind zou maken aan de voorrang voor statushouders bij de toewijzing van sociale huurwoningen.

De stoom-en-kokend-water-wetgeving was bij Stef Blok geen uitzondering, maar regel. Hij had zijn meerderheid vooraf in een achterkamer geregeld. De brave woordvoerders van de partijen die het woningmarktakkoord getekend hadden kregen nog wat visjes in de vorm van voorgebakken amendementen toegeworpen en voor de rest moest de Kamer niet zeuren. Ik vind het nog steeds schokkend dat een meerderheid van ons parlement deze schoffering en ondermijning van de volksvertegenwoordiging geslikt heeft.

OK, tot zover de historische beschouwing. Mocht je nu denken: wat is er precies inhoudelijk mis met tijdelijke huurcontracten (en flexwoningen) in een vrije woningmarkt, lees dan het artikel Flex: daar zit een luchtje aan , dat ik in mei 2020 schreef voor Huurpeil, een uitgave van de Woonbond.

25 jaar na dato: de boete op huisjesmelkers komt er

Tijdens de algemene beschouwingen van 19 september 2019 diende CDA-fractievoorzitter Pieter Heerma, mede namens zijn PvdA-collega Asscher, een motie in om “… te bezien of en op welke wijze gemeenten voor verhuurders die doelbewust te hoge huren in de gereguleerde woningvoorraad vragen stevige (bestuurlijke) boetes kunnen opleggen” (35300-22). De motie werd -met algemene stemmen!- aangenomen.

als wethouder in Utrecht trad ik actief op tegen huisjesmelkers, maar de effectiviteit van gemeentelijk beleid is sterk afhankelijk van het wettelijk instrumentarium

In februari van dit jaar liet minister Ollongren de Kamer weten (27926-337) dat zij werkt aan een wetsvoorstel waarin de motie Heerma-Asscher verwerkt is. In hetzelfde wetsvoorstel zal de mogelijkheid voor gemeenten om een vergunningplicht voor verhuurders in te voeren worden verankerd. Door de val van het kabinet Rutte-III en de formatieperikelen gaat het ongetwijfeld nog wel even duren eer de wet in het Staatsblad staat. Maar de kogel is door de kerk.

De motie Heerma-Asscher is een treffende illustratie van de lange adem die er nodig is om wetgeving te regelen, waarvan de logica voor gewone stervelingen buiten de Tweede Kamer zonneklaar is.

Ter illustratie mijn inbreng bij een algemeen overleg van de commissie wonen van de Tweede Kamer op 4 september 2008 (27926-128):

“De heer Jansen (SP): Voorzitter. Laat ik maar beginnen met het punt waarmee ik bij een vorig debat over dit onderwerp ben geëindigd. Hoe is het mogelijk dat huisjesmelkers keer op keer huren kunnen vragen boven het wettelijk maximum, en er hooguit met een standje van afkomen als zij tegen de lamp lopen? Zoiets zou toch strafbaar moeten zijn? Dit staat haaks op het rechtsgevoel van heel hard werkend en studerend Nederland, maar de ministers voor WWI en van Justitie verstoppen zich achter het contractrecht. Volgens hen heeft iedereen het recht om te veel te betalen. Ik heb weinig hoop dat ik de ministers zonder duidelijke uitspraken van de Kamer in beweging kan krijgen; daarvoor hebben wij het al té vaak geprobeerd. De fracties van de Partij van de Arbeid en GroenLinks waren het al eerder met ons eens, maar hoe zit het met de andere fracties, bijvoorbeeld die van het CDA? Die kunnen dit toch ook niet accepteren?

Het gaat niet om een uitzondering; op de particuliere kamermarkt is het eerder regel. Het recente onderzoek Huur niet te duur! van SSH Utrecht laat zien dat voor het aanbod van alle commerciële internetbemiddelaars in 86% van de gevallen huren boven het wettelijk maximum gevraagd worden. In bijna de helft van het aanbod is de vraagprijs zelfs meer dan € 100 boven het wettelijk maximum. Daarom stelt de SP-fractie het volgende voor: waarom komt er geen landelijke vergunningplicht voor kamerbemiddelaars, die gekoppeld is aan de verplichting voor de bemiddelaar om vooraf te controleren of de vraagprijs onder het wettelijk maximum ligt? In het verleden ging er van de lokale verordeningen nog enige preventieve werking uit op de kamerbemiddeling, maar inmiddels is het via internet kinderspel om regels van gemeenten die kamerzoekenden proberen te beschermen, te omzeilen. De minister kan de oplossing van dit probleem dus niet aan de gemeenten overlaten. Zij zal zelf actie moeten ondernemen.” einde citaat. Wat was de reactie van de minister?

“Minister Vogelaar: Ik zeg toe dat ik mij zal verdiepen in de vraag van de heer Jansen over een landelijke vergunningplicht. Ik heb er geen zicht op of er een brancheorganisatie is van kamerbemiddelingsbureaus. Mijn voorkeur gaat uit naar de route waarbij een brancheorganisatie dat soort van initiatieven neemt en wij niet in eerste instantie met een wettelijke verplichting komen.

De heer Jansen rekende eigenlijk al niet op een antwoord over de bovenwettelijke huren. Hij weet wat mijn antwoord is, namelijk dat ik ben voor de route via de Huurcommissie. Dat hoef ik niet te herhalen.” Einde citaat.

Bij datzelfde overleg deed de SP trouwens nog vijf andere voorstellen:

  • gezamenlijke procedure voor de  huurcommissie: waar blijft die? (minister: je kan met een gezamenlijke gevolmachtigde werken; PJ: dan houd je de bureaucratie en de kosten van vele parallelle procedures)
  • Preventieve toets op bovenwettelijke huur bij particuliere huurwoningen (minister: je kan achteraf, na het tekenen van het huurcontract, door de huurcommissie laten toetsen; PJ: dan blijven huisjesmelkers het proberen, de pakkans is klein en de sanctie ontbreekt)
  • Openbaar maken WOZ-waarde (SUCCES: daar was de minister positief over en dat is inmiddels gerealiseerd)
  • Vergunningplicht makelaars-taxateurs
  • Cijfers over kamernood onder studenten weer opnemen in jaarstukken WWI.

Twee maanden later trad Vogelaar af, ze werd opgevolgd door Van der Laan, die op zijn beurt in februari 2010 het veld ruimde toen het kabinet Balkenende IV viel. Daarna paste Eimert van Middelkoop tot oktober 2010 (start Rutte-I) op de winkel. Dit soort personele wisselingen helpt ook niet echt om tempo te maken…

Onder Rutte-I werd het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu afgeschaft. Wonen werd erbij gedaan door de minister van BZK: Piet Hein Donner. De eerste keer om het met hem te hebben over huisjesmelkers deed zich voor bij het commissiedebat wonen op 31 maart 2011 (27926-155).

“De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter. Overal waar sprake is van schaarste, zijn mensen te vinden die daarvan misbruik maken. Mijn collega’s hebben dan ook terecht het nodige gezegd over de misstanden in de grote steden. (…) Ik spreek de minister van Wonen er dan ook op aan dat hij het tot zijn taak moet rekenen om daarvoor een oplossing te vinden met de gemeenten en de woningcorporaties. (…) Wat ik nu ga zeggen is dan ook een beetje een herhaling van zetten, want mijn opmerkingen zijn de evergreens van het SP-gedachtegoed. Het zijn voorstellen die de afgelopen twintig jaar zeker vijftien keer de revue zijn gepasseerd.
De voorzitter: Je kunt ze dan natuurlijk ook overslaan!
De heer Paulus Jansen (SP): Voorzitter, dat doe ik niet. Dat doe ik namelijk pas als die voorstellen gerealiseerd zijn. Tot die tijd kom ik er echt elke keer weer op terug. Ik doe dat overigens ook omdat ik hoor dat andere partijen, bijvoorbeeld de LSVb, het ook nuttige maatregelen vinden.

1 Een landelijke vergunningplicht voor woning- en kamerbemiddeling.
Daarover zei de voorganger van de minister, de huidige burgemeester van Amsterdam, dat het niet nodig is en dat de gemeenten het zelf wel kunnen doen. Het probleem is echter juist dat veel kamerbemiddelingsbureaus landelijk via internet opereren. Het is daarom veel efficiënter om daaraan op landelijk niveau regels te stellen. Vandaar dat ik het waag om dit pleidooi te herhalen. Ik hoop op een milde reactie van de minister.

2 Het strafbaar stellen van recidive door verhuurders die consequent een te hoge huur vragen. Er zijn andere mogelijkheden overwogen, maar de SP-fractie vindt nog steeds dat de overheid hoort te beschikken over de helderste sanctie: strafbaarstelling. Ook die mevrouw die vandaag een prijs voor huisjesmelker van het jaar heeft ontvangen, vraagt huren die € 150 tot € 250 boven het wettelijke niveau liggen. De redenering van de vorige minister van Justitie was altijd: Nederland kent contractvrijheid. Dat moge zo zijn, maar hier is geen sprake van een redelijke verhouding tussen aanbieder en vrager. Als er geen gelijk speelveld is, moeten partijen die bij herhaling schandalig hoge huren
vragen, strafbaar kunnen worden gesteld.

3 Huurteams. Het is waar dat gemeenten die hiermee werken, Amsterdam en Utrecht, redelijk succesvol zijn. Het is echter afhankelijk van de gemeente of men daarmee werkt en dat betekent dat sprake is van rechtsongelijkheid tussen kamerhuurders in de ene en de andere studentenstad. En dan heb ik het nog niet eens over plaatsen zoals Zundert. Ik vraag mij echt af of wij niet zouden moeten kiezen voor een landelijke minimumnorm.” Einde citaat.

Minister Donner reageerde voor zijn doen niet al te onwelwillend, maar waarschuwde tegelijk voor allerlei uitvoeringsproblemen en “disproportionaliteit”. Drie maanden later vertrok hij op zijn beurt om vice-president van de Raad van State te worden. Liesbeth Spies volgde hem op, tot in mei 2012 Rutte-I ten val kwam door het wegvallen van de gedoogsteun van de VVD. Daarna werd Stef Blok onder Rutte-II de chef wonen, die een aantal wetswijzigingen door de kamer jaste die de huisjesmelkers juist nóg meer ruimte bieden: tijdelijke huurcontracten, hogere maximale huren en marginalisering van de sociale verhuurders door de verhuurderheffing.

Het schoot dus niet op met onze voorstellen. Gebeurde er helemaal niets? Nou dat ook weer niet: als huisbazen bij herhaling bovenwettelijke huren vragen gaan de leges bij zaken voor de commissie omhoog van €300 naar €700 en vervolgens naar €1400. Dat heeft enig afschrikkend effect op de kleine krabbelaars. Maar de professionele huisjesmelkers harken maandelijks een extra winst binnen die honderden keren zo hoog is als de bedragen die ze -af en toe- aan de Huurcommissie moeten betalen.

Nu worden de vergunningplicht en de bestuurlijke boete (daarvoor is gekozen in plaats van strafbaarstelling) alsnog wettelijk verankerd. Een overwinning voor de SP en een compliment voor mijn voorganger Remi Poppe. Want pleitte vanaf eind jaren negentig voor dit soort maatregelen, om de parasieten van de woningmarkt de voet dwars te zetten.

Coöperatief bezit: groot in Duitsland en Oostenrijk

Door de groeiende woningnood is er de laatste jaren toenemende discussie over fundamenteel andere verhoudingen op de woningmarkt. Nederland heeft nu een hoog aandeel koopwoningen (bijna 60%), een hoog aandeel corporatie huurwoningen (30%) en een beperkt aandeel commerciële huur en andere eigendomsvormen. Bij die andere eigendomsvormen staat coöperatief bezit, met name in de grote steden, in de belangstelling.

Sonnwendviertel in Wenen, paradepaardje van het coöperatief wonen

Het concept coöperatief bezit is al heel oud. Het idee werd in 1844 bedacht door een groep wevers uit de Engelse plaats Rochdale . Het paste in hun breder wereldbeeld: de Rochdale Principles. De essentie van een coöperatie is dat de gebruiker ook de eigenaar is. In 1869 richtten de bedenkers van de coöperatie ook de eerste coöperatieve woningbouwvereniging op. Daar zijn de huurders (en woningzoekenden) dus tevens eigenaar van de woningen. Het idee kreeg veel navolging: de Amsterdamse corporatie Rochdale was in zijn begintijd ook een coöperatie. In Nederland is de coöperatieve woningbouwvereniging na een voorspoedig begin in het slop beland door de Woningwet van 1901, waar coöperatief bezit werd uitgesloten voor Toegelaten Instellingen. Dat is de wettelijke term voor erkende woningcorporaties. Na 1970 kwam daar bovenop het fiscale stimuleringsbeleid voor de koopwoning in de vorm van de hypotheekaftrek. In dat klimaat heeft de wooncoöperatie het lastig.

Dit schitterende Amsterdamse School complex aan de Coöperatiehof in Amsterdam was een initiatief van de Amsterdamse coöperatie De Dageraad, die echter een aparte stichting moest oprichten om te voldoen aan de eisen van de Woningwet 1901. Geen coöperatief bezit dus. Lees hier meer over De Dageraad en dit sociale woningbouwcomplex

Als je behalve huurder ook eigenaar wil worden van je woning kost dat bloed, zweet en tranen. De titel van het jubileumboek Het begon met dubbeltjes van de Woonstichting De Key -een prachtboek van Jos van der Lans- herinnert aan het dubbeltje dat de leden van de Bouwmaatschappij tot verkrijging van Eigen Woningen iedere week opzij moesten leggen om een kans te hebben ingeloot te worden. Bij 5.000 leden konden er jaarlijks 60 woningen gebouwd worden, die vervolgens tegen een gebruiksvergoeding van 1 gulden/week beschikbaar gesteld werden aan de leden. Met die vermogensopbouw zou het een jaar of 50 duren eer alle leden daadwerkelijk bediend waren..

binnentuin coöperatief wooncomplex Sonnwendviertel

Daarmee is behalve de kracht ook de zwakte van de coöperatie aangegeven. Hoe armer je bent, des te zwaarder of die “dubbeltjes” drukken op je dagelijks leefbudget. De echte lage inkomens hebben ook in Nederland niet de financiële ruimte om geld opzij te leggen voor bezitsvorming. Zeker niet voor bezitsvorming waarbij de lusten pas na verloop van vele jaren genoten kunnen worden. In de praktijk is de coöperatieve gedachte dan ook vooral omarmd door de middeninkomens. In de landbouw, op dit moment in de duurzame energie, en ook bij het coöperatieve woningbezit. De grootste coöperatie van Wenen Socialbau AG bezit ruim 50.000 woningen. Om voor een woning in aanmerking te komen moet je jaarlijks een bescheiden contributie betalen. Maar daarnaast betaal je bij woningtoewijzing een eigen bijdrage die op dit moment meestal tussen €10.000 en €20.000 bedraagt.

twee voorbeelden van woningaanbod Socialbau AG (april 2021), met een voor de regio Wenen aantrekkelijke huur, maar een stevige eigen bijdrage

Niet onoverkomelijk met een middeninkomen en er staat een lagere maandhuur tegenover. Maar de doelgroep van de volkshuisvesting, zoals in Nederland de huishoudens worden aangeduid die recht hebben op huurtoeslag, zal zo’n bedrag meestal niet achter de hand hebben. In landen waar coöperatief woningbezit groter is dan in Nederland -met name Oostenrijk, Duitsland, Zwitsersland- bedienen de coöperaties met name de middeninkomens. Daar is trouwens niks mis mee. Ik beschouw de coöperatie als een beter alternatief voor de Vereniging van Eigenaren, die in Nederland verplicht is bij appartementen. VvE’s zijn een lastige rechtsvorm, omdat ze alleen gaan over het collectieve deel van appartementen (bv. dak, gemeenschappelijke ruimten, parkeergarage, tuin) waardoor de eigenaren ze toch vooral als een vorm van overhead beschouwen. Ook is de financiële drempel om een appartement te kopen veel hoger dan je in te kopen bij een coöperatie als Socialbau.

Van boven naar beneden: de gemeenschappelijke bibliotheek, fietsenstelling, hobbyruimte/ werkplaats en dakterras met bijenkasten van het coöperatief complex aan de Alfred Adler Strasse

De financiële drempel bij de oude coöperaties in Berlijn is lager. Bij de Berliner Bau- und Wohnungsgenossenschaft von 1892 betaal je €300 entree om lid te worden. Je moet daarnaast minimaal één aandeel van €300 in de coöperatie kopen. Zodra je een woning toegewezen krijgt komt daar de verplichting bij om nog een aantal aandelen te kopen, afhankelijk van de grootte van de woning. Door de lagere drempel hebben de grote Berlijnse coöperaties dan ook veel gemeen met de Nederlandse corporaties, met het verschil dat ze toch vooral het lagere middensegment bedienen.

In de landen waar wooncoöperaties populairder zijn dan in Nederland is het wettelijk kader wat uitgebreider dan bij ons. Zo moet je in Duitsland als wooncoöperatie zijn aangesloten bij een Prüfungsverband: een vorm van kwaliteitsbewaking. Desondanks er veel vrijheid om de spelregels van de coöperatieve vereniging zelf te bepalen. Zo zijn er grote verschillen in de jaarlijks uitbetaalde rente over het ingelegde vermogen van de leden. Bij de meeste Duitse coöperaties ligt die tussen 2-4%, maar er zijn ook coöperaties die geen rente uitkeren. De vermogensgroei wordt dan voor 100% gesocialiseerd en ingezet voor de maatschappelijke taak.

Als er veel eigen vermogen is opgepot in een vereniging is de controle op het beheer van dat vermogen belangrijk. Anders dan in Nederland -waar de corporaties vrijwel allemaal de stichtingsvorm hebben- is de coöperatie per definitie een vereniging. Toch is dat geen garantie voor een effectieve controle door de leden. Bijna alle grote wooncoöperaties hebben een vorm van getrapte vertegenwoordiging, waarbij de leden per complex/wijk vertegenwoordigers in een ledenraad kiezen, de ledenraad benoemt leden van de Raad van Toezicht die de belangrijkste rol heeft in het aanstellen en controleren van het management. Dit systeem werkt alleen goed als er actief onderhoud gepleegd wordt: je moet als vereniging veel energie steken in het betrekken van je leden bij de besluiten. De grote Duitse en Oostenrijkse coöperaties kampen per saldo met hetzelfde legitimatieprobleem als de Nederlandse megacorporaties. Volgens mij is een schaal van 20-100 woningen de meest natuurlijke omvang, wil je recht doen aan het oorspronkelijke ideaal: collectief voorzien in je eigen huisvesting. Om te voorkomen dat het beheer dan relatief duur wordt kan dat geheel of gedeeltelijk uitbesteed worden aan gespecialiseerde beheerorganisaties, zoals die nu al bestaan in de VvE-sector.

Een specifiek Nederlands fenomeen is de toevoeging van een hoofdstuk(je) over wooncoöperaties aan de Woningwet 2015. PvdA Eerste Kamerlid Adri Duivesteijn stelde dat als voorwaarde voor steun aan het wetsvoorstel. Zijn sympathieke idee was dat corporatiehuurders de kans moeten krijgen om het eigendom of beheer van hun complex over te nemen. Corporaties zijn op grond van de wet alleen verplicht om mee te werken aan een haalbaarheidsonderzoek en dat ook deels te financieren. Écht overdragen van woningen doen ze maar mondjesmaat. Ik ben er onder de huidige omstandigheden -een veel te kleine sociale huurvoorraad- ook niet erg enthousiast over om de schaarste aan de onderkant nóg groter te maken ten gunste van de middeninkomens. Het lijkt me verstandiger om voor en mét die groep nieuwe woningen te ontwikkelen of te transformeren, zoals op dit moment in Amsterdam gebeurt. Dat past ook beter bij de oorspronkelijke gedachte van de coöperatie.

Wil je meer weten over woon-coöperaties dan is de website van Die Wohningsbau Genossenschaften Deutschland een goede informatiebron. Duitsland telt zo’n 2.000 wooncoöperaties met 2,2 miljoen woningen. Voor de specifieke Nederlandse situatie bieden de website van Cooplink (het kennisnetwerk van wooncoöperaties) en het kennisdossier wooncoöperaties van Platform31 veel nuttige informatie.

Spuitasbest: risico’s in talloze openbare gebouwen

(door Gerard den Elt, Brabants Dagblad, 24 juli 2012)

UTRECHT – Het gevaarlijke spuitasbest – zoals gebruikt in de wijk Kanaleneiland – blijkt nog altijd in honderden scholen en openbare gebouwen aanwezig. De beheerders van scholen, winkelcentra, ziekenhuizen en (semi-) overheidsgebouwen treuzelen met de verplichte meting naar het niveau van de asbestdeeltjes en risicoanalyse.


Het Martinuscollege in Grootebroek moest negen maanden dicht voor een sanering, na een grootscheepse besmetting met spuitasbest en andere los gebonden asbest boven plafonds.

Lees verder Spuitasbest: risico’s in talloze openbare gebouwen

Moties geluidhinder rijkswegen/spoorlijnen SWUNG-I

Vanavond is een kort afrond debat over de ministeriële regelingen behorend bij het wetsvoorstel over de beperking van geluidhinder rond rijkswegen en spoorlijnen: SWUNG-I. Ik zal drie moties indienen, over kinderdagverblijven, scholen en gevangenissen.


het onderwijs volgens Joop Atsma

Lees verder Moties geluidhinder rijkswegen/spoorlijnen SWUNG-I

De minister van niks

Een minister en een staatssecretaris van een ministerie dat nergens meer over gaat zijn een minister en staatssecretaris van niks. Dat moet je niet willen. Vanavond was de eerste termijn van het debat over de begroting Infrastructuur en Milieu voor 2012. Tijd om het eens over de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid voor milieu, ruimtelijke ordening, natuur en water te hebben.

Lees verder De minister van niks

Nota-overleg Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Vandaag debatteert de Kamer met minister Schultz over haar Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De minister wil de ruimtelijke regie vanuit het Rijk vrijwel geheel afschaffen. Alleen bij de aanleg van infrastructuur houdt ze de touwtjes strak in handen en wordt de hindermacht van lokale partijen en omwonenden beperkt.


mogen immateriële waarden nog een beetje beschermd worden s.v.p. ?

Lees hier mijn inbreng in eerste termijn: ROM 20111114 NO SVIR 1eT SP