Meten met vier maten

[column voor http://www.tlokb.nl d.d. 2nov2026]

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt wettelijke eisen aan de kwaliteit van bouwwerken. Die eisen borgen de ondergrenzen bij constructieve veiligheid en brandveiligheid, gezondheid, functionele kwaliteit en duurzaamheid. Maar iedere eis die iets voorstelt drijft de bouwkosten op. Dat zorgt voor weerstand, met name als de partij die de rekening betaalt niet de vruchten plukt in de vorm van extra veiligheid, extra comfort, een gezonder binnenklimaat, langere levensduur of een lagere energierekening. Een ontwikkelaar van koopwoningen of een belegger in huurwoningen weet dat kopers en huurders gevoelig zijn voor de prijs en niet altijd zicht hebben op de gevolgen van lagere kwaliteit voor hun veiligheid, hun gezondheid of de woonlasten. Dus komt er uit deze hoek vaak weerstand tegen nieuwe eisen in het Bbl, ook als die evident in het belang zijn van de eindgebruiker.

Door dit mechanisme wordt er in het Bbl met meerdere “maten” gemeten. Met maar liefst vier maten inmiddels: nieuwbouw, verbouw, bestaande bouw en tijdelijke bouw. Verschil tussen de hoogte van de lat bij nieuwbouw en de bestaande voorraad is er altijd geweest, met respect voor het rechtens verkregen niveau. Dat is ook logisch: het is peperduur om je bestaande woning of kantoor voortdurend te moeten verbouwen als er een nieuwbouweis aangescherpt wordt. De kern van de Bbl-eisen voor bestaande bouwwerken is daarom de ondergrens voor de menselijke veiligheid (instorting en brand), de gezondheid van de mens en het milieu in verband met toekomstige generaties (zoals de CO2 uitstoot van installaties).

De lat ligt laag

Anders ligt dat naar mijn mening voor de manier waarop het Bbl omgaat met verbouwingen en tijdelijke bouwwerken. Bij de wijziging van het Bouwbesluit (= voorganger Bbl) in 2012 is voor verbouwingen de maatlat van het “rechtens verkregen niveau” ingevoerd. Dat zijn de bouwtechnische eisen op het moment dat het oorspronkelijke bouwwerk werd gebouwd. Die lat kan héél laag liggen. In de jaren 50 bestonden er nog geen wettelijke geluideisen, die kwamen er pas in 1983 (Stb. 1982, 755). Bij de transformatie van oude kantoorpanden hoeven de woningscheidende wanden tussen de appartementen niet te voldoen aan enige geluidseis. Bijzonder: er wonen niet uitsluitend doven in transformatie-appartementen. Ook wijkt de kostprijs van een goed geïsoleerde woningscheidende wand bij transformatie niet substantieel af van die bij nieuwbouw. Waarom dan toch de lat zo laag leggen?

Flexwoningen niet altijd op niveau

Ook bij de tegenwoordig onder beleidsmakers populaire flexwoningen – “we moeten de woningnood snel oplossen” – ligt de Bbl-lat een stuk lager dan bij nieuwbouw. Zo stelt Artikel 4.105 dat bij een tijdelijk bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 10 jaar de geluidseisen 10 dB c.q.10 dB(A) lager zijn dan bij reguliere nieuwbouw. Een aanvullende lobby heeft ervoor gezorgd dat bij verplaatsing van de flexwoning naar een nieuwe tijdelijke locatie deze niet op nieuwbouwniveau gebracht hoeft te worden. Dat is extra pijnlijk omdat deze woningen meestal gebouwd worden op plekken met een flinke geluidsbelasting, bijvoorbeeld nabij autowegen, spoorlijnen of industrieterreinen. Gelukkig zijn er een aantal leveranciers van prefabwoningen die uitsluitend producten aanbieden die aan de standaardeisen voor nieuwbouw voldoen. Nog een voorbeeld: in november 2014 is de tijdsduur wanneer sprake is van tijdelijke bouw opgerekt naar 15 jaar, zonder dat de hoogte van de eisen, die veelal niet hoger zijn dan het niveau bestaande bouw (artikel 4.8 Bbl), zijn aangepast. Zo zijn een bad- en buitenruimte niet vereist.

Mijn conclusie: het gezegde ‘Gij zult niet met twee maten meten’ is bij de ontwikkeling van het Bouwbesluit 2012 en het Bbl uit het oog verloren.

Er is geen woningnood. Maar wel een wooncrisis.

Ik schreef dit artikel in februari 2020; zes jaar later, op de dag voor het Woonprotest in Amsterdam, is mijn analyse ongewijzigd, behalve dat het CBS door een andere manier van tellen nu 53m2 woonruimte per Nederlander telt.

Als “een tekort aan woonruimte” de definitie van woningnood is, dan hebben we in Nederland geen woningnood. Sterker nog: we zwemmen in de woonruimte. Per Nederlander is gemiddeld 65m2 woonruimte beschikbaar. Een huishouden met twee kinderen heeft dan -gemiddeld- 260m2 woonruimte. Dat zijn twee rijtjeshuizen! Gelooft u me niet? Deze cijfers komen uit het CBS onderzoek ‘Woonoppervlakte huishoudens’ (juni 2018). Zelfs in Amsterdam, waar de wooncrisis maximaal woedt, heb je per persoon nog 48m2 tot je beschikking. Bouwen-bouwen-bouwen is dan ook niet de oplossing voor onze problemen op de woningmarkt. Wat zijn dan wél de oorzaken van de wooncrisis? In essentie zijn dat er vijf.

Lees verder “Er is geen woningnood. Maar wel een wooncrisis.”

Meer decentrale elektriciteitsproductie: beste bescherming tegen terrorische dreiging

Sinds de publicatie van Met een kilo semtex leg je heel Nederland een maand plat is de interesse voor de beveiliging en bescherming van onze energievoorziening sterk toegenomen. De praktijk van de oorlog in de Oekraïne en het stijgend aantal incidenten met hybride oorlogvoering in West-Europa geven daar ook alle aanleiding toe. Zonder energie valt alles stil. Niet voor een paar dagen, maar langdurig. Daartegen zullen noodpakketten -of ze nu drie of acht dagen moeten overbruggen- weinig helpen. Opmerkelijk genoeg richten beleidsmakers en deskundigen hun aandacht tot dusver vooral op reactieve maatregelen, zoals de bescherming tegen cyberaanvallen, bewaking van schakelstations, bescherming tegen aanvallen door middel van drones e.d. Dat mag nodig zijn, maar verandert niets aan de aantrekkelijkheid van onze energie infrastructuur als doelwit.

Meer decentrale duurzame elektriciteitsproductie in de juiste mix van zon en wind, aangevuld met backupvoorzieningen in de vorm van WKK, gascentrales en batterijopslag slaat twee vliegen in één klap en is nog relatief goedkoop ook.
Lees verder “Meer decentrale elektriciteitsproductie: beste bescherming tegen terrorische dreiging”

DBFM: tijd voor een evaluatie

Rond 2010 was het uitbesteden van projectontwikkeling en investeringen voor grote overheidsprojecten helemaal sexy: de toenmalige PvdA-voorman en minister van Financiën Wouter Bos was er dol op. De favoriete constructie was DBFMO: Design-Build-Finance-Maintain-Operate. Sorry: alles gaat in het Engels in dat wereldje. In normaal Nederlands komt het erop neer dat het ontwerp, de bouw, de financiering, het onderhoud en de bedrijfsvoering over een flinke looptijd (meestal 20 tot 30 jaar) uitbesteed wordt bij een private partij. De overheid betaalt in de vorm van een vaste, al dan niet geindexeerde vergoeding per jaar of een bedrag dat afhankelijk is van de geleverde prestatie. Je zou het kunnen vergelijken met private lease van een auto. Is zo’n constructie handig voor grote publieke projecten als infrastructuur, waterzuiveringen of kantoorgebouwen? Vijftien jaar later valt dat tegen.

AWZI Hourust (Den Haag) was in 2007 een van de afvalwaterzuiveringen die via een DBFMO contract werden uitbesteed aan Delfluent/Veolia (foto: Hoogheemraadschap Delfland)
Lees verder “DBFM: tijd voor een evaluatie”

De rijksweg die te dicht bij de stad lag

In de jaren dertig nam het autoverkeer snel toe. Verkeer tussen Den Haag/Rotterdam en Amersfoort/Hilversum reed nog door de binnenstad van Utrecht. Dat werd onhoudbaar. In het rijkswegenplan 1932 werd daarom een nieuwe autoweg Utrecht-Hilversum opgenomen, met aansluiting op autowegen vanuit Amsterdam naar het oosten en noorden. De aanleg van het eerste deel van Rijksweg 22 (vanaf de A12 naar de Berenkuil) begon in 1937, de oplevering volgde in 1942.

Hij was state-of-the-art: 2×2 stroken, viaducten over de spoorlijnen naar Den Bosch/Arnhem en alle kruisende wegen, met als eindpunt de Berenkuil-rotonde inclusief ongelijkvloerse kruisingen voor de fietser. Toch valt er iets op: Rijksweg 22 ligt al bij oplevering tegen de bestaande bebouwing van de stad aan. Berlage en Holsboer hadden in hun uitbreidingsplan 1924 de nieuwe autoweg naar het Noorden verder van de stad af gesitueerd, min of meer op de plek van de huidige A27. Vermoedelijk was de nieuwe ligging het gevolg van misplaatste zuinigheid van het Rijk. Of een onderschatting van de barrièrewerking, overlast en gezondheidseffecten die drukke verkeerswegen veroorzaken.

Uitbreidingsplan Utrecht 1924 van Berlage/Holsboer; het plan bevat een autowegring op flinke afstand van de bestaande stad, inclusief voorziene uitbreidingen. Rijksweg 22 zou veel dichter tegen de bestaande bebouwing worden aangelegd. (bron: HUA X196466-Aj11)
Lees verder “De rijksweg die te dicht bij de stad lag”

Hoor de stilte !?

Op de laatste “bouwenvelop” aan de binnenstadszijde van het Utrechts stationsgebied herontwikkelt Lingotto de meest centraal gelegen plek van Nederland: het Smakkelaarsveld, voor deze gelegenheid hernoemd in Smakkelaarspark of SPARK. Waar vroeger de trekschuiten naar Leiden vertrokken wordt de heropende verbinding tussen singel en Leidsche Rijn straks het domein van de proseccosloepen. Die kunnen aanleggen bij een pocketparkje omgeven door een indrukwekkend programma koop- en huurwoningen en wat additionele kantoorruimte.

Het Smakkerlaarsveld meet ruim een hectare en ligt ingeklemd tussen het Centraal Station, het drukste fietspad ter wereld (claim), de Daalsetunnel met een stuk of 15 busverbindingen en de aanvoerroute naar de parkeergarages van Hoog Catharijne.
Lees verder “Hoor de stilte !?”

Concentratie kerncentrales: onverstandig

In zijn onderzoek Analyse netinpassing nieuwe kerncentrales concludeerde Tennet onlangs dat het bouwen van twee grote kerncentrales op één locatie ingewikkeld en peperduur is. Dat had iedereen met gezond verstand zonder dat onderzoek kunnen vaststellen.

cluster Franse kerncentrales aan de Maas bij Chooz, net ten zuiden van de grens met België
Lees verder “Concentratie kerncentrales: onverstandig”

Funda: cashcow en twistappel

Het Financiële Dagblad berichtte gisteren (Makelaars komen in opstand tegen nieuw verdienmodel Funda) over een opstand van 19 van de 27 NVM afdelingen tegen de nieuwe koers van Funda. Die gaat gepaard met tariefsverhogingen tot 100% en een aantal andere commerciële koerswijzigingen, vermoedelijk onder druk van grootaandeelhouder General Atlantic.

Funda zorgde voor een transparant koopwoningaanbod, maar ontwikkelde zich door zijn monopoliepositie ook tot een gouden verdienmodel
Lees verder “Funda: cashcow en twistappel”

Nationale Prestatie Afspraken: wie betaalt de rekening?

In de periode dat ik directeur was van de Woonbond is -analoog aan de lokale prestatieafspraken- een begin gemaakt met Nationale Prestatie Afspraken tussen Rijk, corporaties en huurders. Die gaan met name over betaalbaarheid, nieuwbouw, onderhoud-renovatie en verduurzaming. Allemaal zaken die geld kosten, vaak met een onrendabele kop. In het grijze verleden (tot 1990) werd een deel van die onrendabele top gedekt door subsidies en goedkope leningen van het Rijk. In de periode 1990-2020 werden investeringen vooral gedekt door de verkoop van woningen en huurverhoging. De omvang van het corporatiebezit daalde terwijl de woningvoorraad groeide: zie hier de oorzaak van de woningnood. In de tien jaar na de invoering van de verhuurderheffing door minister Blok kelderden de investeringen. Inmiddels is de verhuurderheffing afgeschaft en zijn de ambities in de NPA torenhoog opgeschroefd. Maar wie gaan die betalen?

sociale huur van corporatie Woonpunt in Nazareth/Maastricht
Lees verder “Nationale Prestatie Afspraken: wie betaalt de rekening?”

De Moduna steen: gehaat door de metselaar

De meeste mensen zal bij de naam Bredero wel een lampje gaan branden: de projectontwikkelaar die rond 1970 het funshoppen in Nederland op de kaart zette met de bouw van ‘Winkelhart van Nederland’ Hoog Catharijne. Het was een van de eerste aannemers die de potentie van beton als bouwmateriaal onderkende.

gele Modunastenen als gevelafwerking in de Waddenbuurt/Lunetten
Lees verder “De Moduna steen: gehaat door de metselaar”