Inmiddels is de januari sneeuw al weer uit ons collectieve geheugen verdwenen, maar tijdens die barre (…) week raakten de media niet uitgepraat over de schuldvraag rond de ingestorte daken. Meestal kreeg de ontwerper de schuld, met af en toe nog een veeg uit de pan voor de wetgever.

De banale werkelijkheid is dat calamiteiten in de bouw bijna altijd het gevolg zijn van gebrek aan kennis en opportunisme bij meerdere schakels in de keten opdrachtgever-architect-constructeur-aannemer en/of installateur-beheerder-gebruiker/huurder. Op de achtergrond spelen de wetgever, de publieke of private toezichthouder en het Bevoegd Gezag ook hun partijtje mee. Laten we eens bekijken hoe de keten er bij de ingestorte daken uit ziet.
Te beginnen met de opdrachtgever, die vaak stuurt op zo laag mogelijke (nieuw)bouwkosten. Bij industriehallen kom je dan al snel uit op standaardontwerpen met lichte daken en draagconstructies. Met de krachtige software van tegenwoordig kan de constructeur met de kleinst toegestane veiligheidsmarge zorgen dat het gebouw in de startsituatie -op papier- precies aan de eisen voldoet.
Daarna kan het in de uitvoering al direct misgaan. Er wordt bv gekozen voor alternatieve bevestigingsmiddelen van de dakplaten aan de draagconstructie omdat de voorgeschreven middelen niet leverbaar zijn. Of de opdrachtgever wil op het laatste moment een kantoortje toevoegen, waardoor de gevelconstructie onderbroken en verzwakt wordt. Of aannemer plaatst om financiële redenen de uitlopen naar de hemelwaterafvoer bij de kolommen in plaats van op de laagste punten in het dakvlak. Lichte platte daken hebben de hinderlijke eigenschap een beetje te gaan doorhangen, waardoor er kuilen ontstaan. Bij te weinig afschot blijft er dan water op het dak staan, waardoor de kuil langzamerhand dieper wordt. Enz.
Een bekend fenomeen is dat de brandveiligheid van bouwwerken terugloopt door herhaalde verbouwingen. Denk aan brandwerende constructies die doorboord worden voor nieuwe leidingen of de tienjaarlijkse modernisering van oude winkelpanden in onze historische binnensteden.

Bij sommige soorten bouwwerken kan een verandering van de gebruiksfunctie of de intensiteit van de gebruiksfunctie de belasting op de constructie verhogen. Als je dan bij de bouw geen overcapaciteit hebt ingebouwd wordt goedkoop duurkoop. Zo gaan onze ministers van infrastructuur de komende decennia héél veel geld uitgeven aan het verzwaren of vervangen van bruggen en viaducten, omdat er onvoldoende rekening gehouden was met de groei van het verkeer. Bij de instorting van de parkeergarage in Nieuwegein was een bijkomende oorzaak dat geen rekening was gehouden met het toenemend aandeel auto’s-met-overgewicht.
Ook de architect kan in een probleem in de keten veroorzaken. Bijvoorbeeld door een schouwburg te ontwerpen waarvan de toneeltoren op drie kolommen stond. Niet op vier, wat constuctief wel handig is. Vervolgens mocht de constructeur een oplossing bedenken. Dat deed hij, en daar kwam veel staal aan te pas. Bij de aanbesteding schrok de opgever zich wild, dus kreeg de aannemer de opdracht om de kaasschaaf over de staalconstructie te halen. Toen pasten bij de montage van het staalskelet ’s middags een paar trekstangen niet meer, waarna de montageploeg dacht: dat maken we morgen in orde. De constructie stortte gelukkig ’s nachts in, niet de ochtend erna.
Is zo’n lean & mean gebouw eenmaal opgeleverd, dan moet je jaar-in-jaar-uit nog steeds blijven opletten. Bij de industriehal kan bijvoorbeeld na verloop van tijd besloten worden daklichten of zonnepanelen toe te voegen, waardoor de vaste dakbelasting én de wind- en sneeuwbelasting kunnen toenemen. Bij vergunningvrije (ver)bouwactiviteiten kan het dan pijnlijk worden als de opdrachtgever vergeet een constructeur en kwaliteitsborger in te schakelen.
Tijdens de gebruiksfase is een goed beheer belangrijk. Allereerst door alle bouw- en revisietekeningen, constructie- en installatieberekeningen goed te bewaren. Merkwaardig dat dit nog steeds niet verplicht is. Vervolgens door goed preventief onderhoud, een periodieke check (“APK”) op constructie, brandveiligheid en installaties. Zeker bij publieksgebouwen en gebouwen waar minder zelfredzame mensen verblijven. Door de toegankelijkheid van vluchtroutes frequent te controleren. Bij de ingestorte daken was in een aantal gevallen vergeten om goten en HWA-uitlopen schoon te maken en opgewaaide sneeuw te verwijderen.
Natuurlijk heeft de gebruiker van een gebouw ook een verantwoordelijkheid voor een veilig gebruik. Zo kwam ik in studentenhuizen nét iets te vaak kratjes bier tegen die moesten voorkomen dat zelfsluitende branddeuren ook echt dicht gingen. Dat is zo vermoeiend vonden de studenten.
Dan komen we bij de verantwoordelijkheden van de overheden, voor effectieve wetgeving en publiek toezicht. Bij de ingestorte platte daken door de sneeuwval waren veel deskundigen het erover eens dat het afschot in Nederland te klein is. De aanbeveling -geen voorschrift- is 16mm/m, terwijl veel andere landen 30mm/m aanhouden. In combinatie met lichte stalen dakconstructies die relatief veel doorbuigen ontstaan dan “kuilen”. Het ligt volgens mij voor de hand om daar de wetgeving op aan te passen. Dat geldt ook voor het paal en perk stellen aan creatief rekenen met sneeuwbelasting (effect opwaaien en inklinken).
Wetgeving is papieren werkelijkheid als er geen sprake is van effectief, publiek geborgd, toezicht. Dat zijn geen populaire activiteiten tot er een calamiteit plaats vindt. Afgelopen jaar kon de commissie STOER zonder veel weerwoord beweren dat bouwen te duur is en te lang duurt door te veel regels. Geen woord over de maatschappelijke meerwaarde en de lagere levensduurkosten ten gevolge van deze regels. Toezicht kost geld. Dat geld moet effectief besteed worden. De Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw, waar ik bestuurslid van ben, heeft de ambitie om de baten van dat toezicht transparanter te maken.








