Kleine windturbines: soms een nicheproduct, vaak speelgoed

De verduurzaming van onze energievoorziening doet de emoties hoog oplopen. Zowel bij de voorstanders, die het niet hard genoeg gaat, als bij de tegenstanders die het “te duur” vinden of -al dan niet vermeende- nadelen flink uitvergroten. Windturbines worden door tegenstanders vaak weggezet als verpesters van het landschap, vogelvermalers en producenten van slaapverstorend laagfrequent geluid. Om die reden publiceren media regelmatig berichten over veelbelovende minder overlast gevende kleine molens. Vormen die een reëel alternatief?

Bij het aanbod aan alternatieven voor grote windturbines op land vliegen de onbewezen claims over tafel

Laten we eerst eens kijken naar de stroomopbrengst van kleine en grote molens [bron]. Een vuistregel is dat de stroomopbrengst verviervoudigt bij een verdubbeling van de rotordiameter. Daaruit volgt dat een molen met een rotordiameter van 160 meter 64x meer stroom produceert dan bij een rotordiameter van 20 meter. Die 20 meter zit al boven de grens van kleine molens.

Er is nog een belangrijke factor voor de stroomopbrengst: hoe hard waait het? Globaal kan je zeggen dat in NL ten westen van de lijn Breda-Winschoten de windsnelheden het gunstigst zijn voor windturbines. Maar niet alleen de geografische ligging is van belang, ook de ashoogte: hoe hoger boven het maaiveld, des te harder waait het. In deze APP (van overheidsinstelling RVO) kan je voor alle locaties indicatief berekenen hoe hard het waait. Ik heb het als test gedaan voor windmolens met een ashoogte van 20m en 130m in Zegveld (groene hart). Op een ashoogte van 20m waait het gemiddeld 4,83m/s, op een ashoogte van 130m gemiddeld 7,76m/s. Het aantal vollasturen (een maat voor de energieopbrengst) ligt daardoor bij een ashoogte van 130m zo’n 50% hoger dan bij 20m, bij een gelijke rotordiameter.

In minder windrijke gebieden in het oosten van ons land wordt het effect van de ashoogte nog groter. Aan de A1 ten zuiden van Oldenzaal waait het op 20 meter hoogte gemiddeld 3,73m/s en op 130m hoogte gemiddeld 7,18m/s. In Zegveld waait het hoog dus 1,60x harder dan laag, in Oldenzaal 1,92x harder.

De NWEA rekent in de geciteerde bron voor dat een standaard 5MW turbine met een ashoogte van 130m op een plek in de windrijke zone een jaaropbrengst heeft van 17.500 MWh. Je hebt zo’n 500 stuks van de populaire kleine windmolen EAZ 13.2 (ashoogte 15m, aanschafprijs €50.000, geclaimde jaaropbrengst 35.000kWh) nodig voor een gelijke stroomopbrengst. Het SER-energieakkoord van 2013 (de voorganger van het Klimaatakkoord) had een doelstelling van 6.000MW wind op land in 2020, waarvan slechts 3.500MW gerealiseerd is. Die 2500MW erbij kan je realiseren met 500 standaardturbines of 250.000 kleintjes. Het lijkt me duidelijk dat dat laatste niet haalbaar is.

Is daarmee de kleine turbine luchtfietserij? Nee. Voor boeren in het buitengebied en andere partijen met veel grond en een betrekkelijk stabiel elektriciteitsverbruik kan de persoonlijke rekensom voor -sommige- kleine windturbines toch positief uitvallen. Zij zien het ook als een voordeel dat de vergunningprocedures voor kleine molens veel korter duren, omdat er minder weerstand vanuit de omgeving is.

De STOWA (het kennisinstituut van de waterschappen) liet onlangs een studie uitvoeren naar de kansen voor economische toepassing van kleine windturbines als (gedeeltelijke) stroomvoorziening tbv polder- en zeegemalen en rioolzuiveringsinstallaties. Dat is een relatief interessant toepassingsgebied. Het zijn vaak installaties met een redelijk constante energievraag. Waterschappen betalen op dit soort aansluitingen meestal een inkooptarief van €0,14/kWh. Ze betalen dus minder dan huishoudens, maar veel méér dan grootverbruikers. Als je de grootte van de molen afstemt op de energievraag, lever je zelden terug stroom aan het net, tegen een laag teruglevertarief. Ook kan je waarschijnlijk volstaan met een kleinere netaansluiting.

STOWA onderzocht 11 turbines, waarvan er overigens maar 6 voldeden aan de meest gebruikelijk definitie van een kleine molen: een rotoroppervlak van maximaal 200m2. Conclusie van het onderzoek: de terugverdientijd varieert tussen 7 en >25 jaar, de interne rentevoet (een maat voor de economische haalbaarheid) is voor 7 van de 11 molens positief. Dat klinkt goed, maar verdient wel enkele kanttekeningen.

De “winnaar” van het STOWA onderzoek, de DW54 van EWT, heeft een masthoogte van 50 meter, een rotordiameter van 54 meter en een vermogen van 900kW. Met een tiphoogte van 77 meter en een rotoroppervlak van 2280m2 -10x de bovengrens voor kleine molens- valt hij feitelijk in de categorie middelgrote turbines. Die worden door tegenstanders al “megawieken” genoemd.

Ook de nummer 2 WES 34/100 van WindEnergySolutions is met een masthoogte van 30 meter, rotordiameter 34 meter, vermogen 100kW en rotoroppervlak van 907m2, feitelijk een middelgrote molen. Het is een tweewieker, die sterk doet denken aan de pionier-molens van Lagerwey uit de jaren 70/80. Dat waren echte werkpaarden, die nauwelijks onderhoud nodig hadden en je zelfs nu nog met regelmaat tegenkomt in het boerenland.

De nummer 3, de MWF8.5 van MegaWindForce, valt met een rotordiameter van 8.7m wel binnen de definitie van een kleine molen. Het is ook een innovatief ontwerp, maar het prototypestadium nog nauwelijks voorbij. Voor de overige molens is de interne rentevoet lager dan 1% of zelfs negatief.

Er zijn nog enkele kwalitatieve kanttekeningen te maken bij kleine windturbines. Allereerst twee positieve: ze produceren geen laagfrequent geluid. Ook positief is dat een aantal ontwerpen onderhoudsarm zijn en/of gebouwd met duurzame dan wel herbruikbare materialen. Wat betreft visuele overlast schat ik echter op basis van de ervaringen uit het verleden in dat ze -in de nabijheid van woonwijken- niet minder maar juist meer overlast veroorzaken. De wieken draaien veel sneller, waardoor je bij laagstaande zon gehinderd kan worden door lichtflitsen. Ook zouden de risico’s voor vogels bij kleine molens wel eens veel groter kunnen zijn dan bij grote molens, maar ik ken geen onderzoek dat dit vermoeden bevestigt.

Samenvattende conclusie: sommige kleine -of moet ik zeggen middelgrote- windturbines kunnen voor specifieke toepassingen in het buitengebied financieel rendabel zijn als energievoorziening en ze leveren in die gevallen ook een bijdrage aan de verduurzaming van de energievoorziening. Een bescheiden bijdrage. Het is dan ook een illusie om te denken dat kleine windmolens een alternatief kunnen zijn voor grote, zoals sommige tegenstanders van windenergie beweren.

veiligheid windturbines

Vandaag kwamen de antwoorden van minister Asscher binnenm op mijn schriftelijke vragen over het ongeluk met de windturbine bij Ooltgensplaat.

Uit het antwoord blijkt dat bij de handhaving van de voorschriften voor interne (ARBO) en externe veiligheid van windturbines zoals gewoonlijk vertrouwd wordt op zelfregulering. Of dat in dit geval geleid heeft tot het onvoldoende naleven van de voorschriften is nog niet duidelijk. De arbocatalogus windenergiebedrijven waarnaar Ascher verwijst lijkt me een helder kader voor de waarborging van de interne veiligheid/ARBO te bieden. Het onderzoek van de inspectie op dit punt neemt nog enkele maanden in beslag.

De antwoorden van Asscher geven op het punt van externe veiligheid geen enkele concrete informatie. Er is in Nederland geen incidentenregistratie, waardoor het buitengewoon moeilijk is om iets zinnigs te zeggen over de ontwikkeling van de praktijk rond de externe veiligheid van windparken. Ik ben er voorstander van dat er een meldingsplicht van incidenten bij de Regionale Uitvoerings Dienst, volgens eenzelfde gebruiksvriendelijk meldingssysteem als nu al door de DCMR gebruikt wordt voor meldingen van incidenten bij de industrie. Bijkomend voordeel van dat systeem is dat het transparant is. Alle meldingen staan direct online en zijn voor iedereen zichtbaar. Na verloop van tijd kan zo’n database ook gebruikt worden voor statistische analyses en verbetervoorstellen.

Lees hier de antwoorden: EN 20131126 ANTW externe en interne veiligheid windturbines

Meer lezen: dossier windenergie

Vereniging omwonenden windparken wil eerlijker verdeling lusten en lasten

Vanmiddag hield de Nederlandse Vereniging Omwonenden van Windparken (NLVOW) zijn startconferentie in de Utrechtse Jaarbeurs. Een prima initiatief waarin ruimte was voor debat tussen geharnaste voor- als tegenstanders van windenergie en omwonenden, die zich vaak overvallen voelen door projectontwikkelaars die eerst een deal sluiten met grondeigenaren en daarna op zoek gaan naar “draagvlak”.


wynpark Beabuorren in Friesland, een typisch bottom-up initiatief met een groot draagvlak in de omgeving.

Lees verder Vereniging omwonenden windparken wil eerlijker verdeling lusten en lasten

waar blijft realiteitstoets provinciale wind-op-land plannen

Eind januari sloot het kabinet een bestuursakkoord met de provincies over de realisatie van 6.000MW wind-op-land per 2020. Provincies moeten op korte termijn hun taakstelling planologisch invullen. Maar hoe realistisch zijn die zoeklocaties eigenlijk?


windpark in aanpak

Lees verder waar blijft realiteitstoets provinciale wind-op-land plannen

Wynpark Beabuorren

Samen met de Jos van der Horst, Fenna Feenstra en Jacob van der Hoek van onze Friese Statenfractie bezocht ik vrijdag Titia en Lolle Hylkema, initiatiefnemers van een van de eerste bottom-up windparken van Nederland: Wynpark Beabuorren.


oud en nieuw: op de achtergrond de 1,3MW Siemens molens van het Wynpark Beabuorren, ashoogte 60m

Lees verder Wynpark Beabuorren

Verhagen: Le Pair en Tol zitten er naast bij bashen wind

Vandaag kwamen de antwoorden van minister Verhagen op twee series schriftelijke vragen van Rene Leegte (VVD) binnen. Het zijn interessante antwoorden, omdat ze reageren op de stelling van Kees le Pair dat windturbines een energetisch rendement van 8% hebben en de stelling van Richard Tol dat het financiële rendement van windenergie negatief is. Beide stellingnames werden uitgebreid gerecycled door klimaatsceptici/windhaters.


Kees le Pair (foto: TUDelta)

Lees verder Verhagen: Le Pair en Tol zitten er naast bij bashen wind

zelflevering duurzame energie belastingvrij: gaat het nu eindelijk lukken?

Een groot aantal maatschappelijke organisaties, verenigd in het Klimaatverbond, lanceerden gisteren op de Dag van de Duurzaamheid een voorstel om ook collectieve duurzame energieproductie voor eigen gebruik vrij te stellen van energiebelasting. Dat voorstel werd op 5 december 2011 al verwoord in de motie Samsom-Jansen.


bij energiecoöperaties als de windvogel investeren huishoudens gezamenlijk in de productie van duurzame energie voor eigen gebruik; schandelijk genoeg wordt dat “beloond” met een afdracht van €0,12/kWh energiebelasting

Lees verder zelflevering duurzame energie belastingvrij: gaat het nu eindelijk lukken?

Zuidwende geruisloos gerealiseerd

De ervaring leert dat het vinden van geschikte locaties voor windparken op land geen sinecure is: in ons dichtbevolkte land woont er vrijwel altijd een groep mensen in de buurt die bezwaar heeft tegen draaiende wieken aan de horizon. Maar er zijn uitzonderingen. In het zuidoostelijke deel van Flevoland wordt binnen anderhalf jaar een windpark van 122MW uit de grond gestampt. Samen met Emile Roemer bezocht ik vrijdag het windpark in aanbouw.

Lees verder Zuidwende geruisloos gerealiseerd