In het SER-energie akkoord (2012) is afgesproken dat bedrijven en instellingen (ziekenhuizen, scholen, musea) met een energieverbruik boven 50.000 kWh/jr of 25.000 m3 gas/jaar -dat zijn er ca. 90.000- zich inspannen om hun energieverbruik te verminderen. Dat had in 2020 een besparing van 33 Petajoule moeten opleveren. De Algemene Rekenkamer zocht uit of dat doel gerealiseerd is. Hun conclusie: “De minister weet niet of het doel is gehaald, maar wij achten het onwaarschijnlijk dat dit is gelukt.”

Bedrijven vinden de verplichting “ingewikkeld”. In 2023 voldeed nog geen 20% van de bedrijven naar eigen zeggen volledig aan de energiebesparingsplicht. Nou worden ze ook niet bepaald achter de vodden gezeten door de overheid. De controle op de naleving wordt gedaan door de regionale milieudiensten, dat zijn samenwerkingsverbanden van gemeenten en provincies. Het ministerie van Economische Zaken/Klimaat/Groene Groei betaalt de RUD’s om jaarlijks een kwart van de 90.000 bedrijven te bezoeken. In werkelijkheid werden in 2023 nog geen 10.000 bedrijven écht gecontroleerd. Toen was al bekend dat de ARK onderzoek ging doen naar de naleving. Een jaar eerder werden maar 2.500 bedrijven bezocht…
De conclusies van de Rekenkamer passen helemaal in het beeld dat ik al 20 jaar heb over de effectiviteit van convenanten: die is beroerd. Ik stond daarin niet alleen. Nota bene de SGP-er Elbert Dijkgraaf -da’s toch geen linkse rakker- toonde in 2010 in zijn studie Effectiviteit convenanten energiebeleid al aan dat convenanten een hoog window-dressing gehalte hebben.
Ter verdediging van de RUD’s kan worden aangevoerd dat het benodigde budget voor een 4-jaarlijkse controle €20-50 miljoen bedraagt, een stuk meer dan KGG jaarlijks overmaakt. En ook de meeste provincies en gemeenten zijn kruideniers als het op financiering van effectieve handhaving aankomt.
De energiebesparingsplicht voor bedrijven bestaat al sinds 1993. Toen werd in de wet opgenomen dat bedrijven alle energiebesparingsinvesteringen moeten doen met een terugverdientijd van vijf jaar of korter. Dat is geen scherpe eis. De economische levensduur van veel energiebesparende investeringen ligt vaak in de bandbreedte 10-20 jaar. Het gaat ook niet om high tech: denk aan het vervangen van verlichting door LED, isoleren van leidingen en appendages, betere inregeling en monitoring van installaties. Het is best beschamend dat 30 jaar later nog geen effectieve handhavingsstrategie ontwikkeld is. De Algemene Rekenkamer doet nu een aantal aanbevelingen om de energiebesparingsplicht efficiënter in te richten, waarmee ook betere monitoring mogelijk wordt. Minister Sophie Hermans van Klimaat en Groene Groei mag laten zien dat ze die voorstellen serieus neemt.