Rond 2010 was het uitbesteden van projectontwikkeling en investeringen voor grote overheidsprojecten helemaal sexy: de toenmalige PvdA-voorman en minister van Financiën Wouter Bos was er dol op. De favoriete constructie was DBFMO: Design-Build-Finance-Maintain-Operate. Sorry: alles gaat in het Engels in dat wereldje. In normaal Nederlands komt het erop neer dat het ontwerp, de bouw, de financiering, het onderhoud en de bedrijfsvoering over een flinke looptijd (meestal 20 tot 30 jaar) uitbesteed wordt bij een private partij. De overheid betaalt in de vorm van een vaste, al dan niet geindexeerde vergoeding per jaar of een bedrag dat afhankelijk is van de geleverde prestatie. Je zou het kunnen vergelijken met private lease van een auto. Is zo’n constructie handig voor grote publieke projecten als infrastructuur, waterzuiveringen of kantoorgebouwen? Vijftien jaar later valt dat tegen.

Ik was destijds kritisch over een aantal aspecten van DBFM.
Allereerst het uitbesteden van de financiering. Niemand financiert zo goedkoop als de overheid. Waarom zou je dan de financiering aan een private partij overlaten? Het argument dat de hogere kapitaallasten een prikkel voor de exploitant zijn om scherper aan de wind te zeilen dan de overheid heeft mij nooit zo overtuigd.
Ten tweede het negatieve effect op de flexibiliteit. Bij grote bouwwerken met een lange levensduur is het lastig om te voorspellen hoe het toekomstig gebruik zich zal ontwikkelen. En als de eisen tijdens de rit veranderen buiten de kaders van het contract gaat de kassa hard rinkelen, omdat er sprake is van gedwongen winkelnering.
Ten derde: de noodzaak voor de opdrachtgevende overheid om voldoende deskundigheid/vakkennis in huis te hebben om de contractvoorwaarden op hun merites -ook op de langere termijn- te kunnen beoordelen. Veel overheden hebben vanaf 1990 vakkennis “in dienst” afgebouwd en zijn overgestapt op uitbesteding aan adviesbureau’s.
Natuurlijk heeft deze vorm van uitbesteden ook (potentiële) voordelen: alles in één hand bevordert integraal denken, terwijl bij de klassieke aanpak de verkokering binnen de overheid een sta-in-de-weg is. Sowieso munten overheden niet uit in strakke projectplanning en scherpe bedrijfsvoering. Maar per saldo moet je uitkijken om té snel te denken dat het gras bij de buren groener is.
Destijds ben ik gaan kijken bij een aantal DBFM-projecten in verschillende sectoren van de overheid. Een van die projecten was de nieuwe waterzuivering van het hoogheemraadschap Delfland in de Harnaschpolder. Zie stroom uit stront . Het leek mij nog een van de kansrijkere toepassingen van DBFM. Maar zelfs die inschatting bleek te optimistisch, zie: Delfland gaat contract voor afvalwaterzuiveringen Harnaschpolder en Houtrust eerder beeindigen, 11 september 2026. De argumenten zijn nu: we kunnen daardoor kosten besparen en krijgen meer ruimte om de zuiveringen aan te passen aan de behoefte van de toekomst. Leg dat eens naast de argumentatie uit 2007…
Het is niet de eerste blooper. Eerder ging Rijkswaterstaat de bietenbrug op met het DBFMO contract voor de Wijkertunnel. Wordt het geen tijd om de ervaringen met DBFMO eens goed te evalueren?
Meer lezen: dossier Publiek Private Samenwerking