PBL fileert flexwonen. Een beetje.

Het Planbureau voor de Leefomgeving publiceerde eergisteren het rapport Beleid maken voor (flex)wonen . Natuurlijk zijn de auteurs beleefd, maar tussen de regels door klinkt zorg over de ondoordachte manier waarop besloten is om 15.000 flexwoningen te gaan bouwen. Wat overigens in de verste verte niet lukt.

April 2024: op de parkeerplaats voor het gemeentehuis van Bunnik in Odijk worden 48 flexwoningen gebouwd.

Wat concludeert het PBL: “Uit deze analyse blijkt dat het besluit om voor flexwonen te kiezen, in plaats van voor permanente woningen, vaak niet helder en stevig wordt onderbouwd. Dit roept vragen op over de effectiviteit van het beleid en over de balans tussen snelheid en structurele oplossingen. Gemeenten en het Rijk richten zich vaak vooral op het behalen van kwantitatieve doelstellingen; het aantal woningen dat ze met flexwonen snel kunnen realiseren. Dit is begrijpelijk gezien de acute woningnood, maar deze focus op aantallen kan ten koste gaan van andere publieke belangen, zoals de leefbaarheid, gezondheid en veiligheid van de woonomgeving.” (…) “Hoewel flexwoningen via de eenvoudigere procedures inderdaad lijken bij te dragen aan de beschikbaarheid van meer woonruimte, staat dit soms op gespannen voet met een veilige en gezonde woonomgeving. De uitruil tussen deze publieke belangen vraagt een expli-ciete en goed onderbouwde afweging, die het PBL in de onderzochte beleids- en communicatie-stukken vaak niet terugziet.”

Het PBL concentreert zich op de slechte theoretische inkadering van het flexwonen beleid. Ze laten daarmee een belangrijk onderzoeksterrein braak liggen: de praktijk. Als je rondkijkt op de plekken waar de afgelopen tien jaar flexwoningen zijn neergezet -ik heb zo’n 50 locaties bekeken- dan blijft het volgende beeld hangen: onaantrekkelijke locaties, hoge milieubelasting (herrie, fijnstof), weinig of geen voorzieningen in de directe omgeving. En een torenhoge huur/m2, ook in vergelijking met nieuwe permanente sociale huurwoningen.

Een punt waar het PBL voorzichtig op wijst is de vraag of al die tijdelijke woningen na 15 jaar wel een andere plek kunnen vinden. Is dat niet het geval dan zijn er volgens mij twee opties: 1 ze blijven (veel) langer staan, de tijdelijke situatie wordt permanent gemaakt. Dan is De Facto de woonstandaard voor de onderkant van de woningmarkt stevig verlaagd. 2 Ze worden ergens opgeslagen of verkocht aan een partij in het buitenland. Dat is geen doemdenken, maar echt gebeurd: de tijdelijke spacecabs op de Uithof in Utrecht zijn uiteindelijk verkocht aan de gemeente Aken, die er asielzoekers in huisvest. Uiteraard impliceert deze optie ook een grote maatschappelijk kapitaal vernietiging.

Het PBL gaat tenslotte volledig voorbij aan een ander interessant aspect van flexwonen: wat kost het voor de huurder? Ik heb drie jaar geleden al voorgerekend dat een woning die je iedere 15 jaar moet verplaatsen al gauw €125-150/maand duurder is dan een huis dat (minstens) 50 jaar blijft staan. Die extra huur wordt overigens voor een substantieel deel opgehoest door de belastingbetaler. De spoedzoekers die in de flexwoningen terecht komen hebben vrijwel allemaal een laag inkomen. Dus wordt een deel van de hogere huur gecompenseerd door extra huurtoeslag.

Ik hoop dat het PBL rapport voor nadere kritisch onderzoek naar de praktijk van flexwonen.

Wat zijn volgens mij maatregelen die wél werken om de huidige woningnood op te lossen? Die som ik op aan het einde van dit artikel .

Meer blogs over het thema flexwonen in het dossier Kraken en leegstand, gebruikscontract, tijdelijke verhuur, flexwonen

Plaats een reactie