Waarom Ik Zo’n Enorme Hekel Aan de Europese Unie Heb

Eurocommissaris Kovács
Eurocommissaris Kovács
Een tijd geleden stelde ik vragen aan staatssecretaris De Jager over de heffing van BTW over de huur van woonwagens, terwijl over de huur van woningen geen BTW geheven wordt. Sinds de afschaffing van de Woonwagenwet in 1999 is de woonwagen echter erkend als reguliere woonvorm. Dus leek me dit een staaltje meten met twee maten. Volgens De Jager kon hij echter niet anders, want de EU schreef deze handelwijze voor. Daarom vroeg ik mijn SP-collega Kartika Liotard in het Europarlement om hierover Eurocommissaris Kovács nadere vragen te stellen. Vandaag kwamen de antwoorden. Lees en huiver.

Op de bekende wijze wordt het antwoord op de hamvraag “wilt u een einde maken aan deze onrechtvaardige situatie?” omzeild, door te verwijzen naar rechtspraak van het Hof van Justitie. Wat er volgens mij achter zit is dat de financiering van de Europese Unie deels gebaseerd is op de afdracht van een percentage van de BTW-opbrengsten van de lidstaten. Een eerlijke oplossing zou dus ook de EU een paar grijpstuivers kosten, en die vinden ze belangrijker dan rechtvaardigheid.
Daarom dus deze kop boven het artikel.

SCHRIFTELIJKE VRAAG E-1016/09
van Kartika Tamara Liotard (GUE/NGL)
aan de Commissie

Betreft: Fiscale Discriminatie Woonwagenbewoners in Nederland

Sinds 1999 is in Nederland de Woonwagenwet afgeschaft en worden woonwagens gelijkgesteld aan alle andere woonvormen. Met deze afschaffing zijn woonwagens ook fiscaal gelijk gesteld aan alle andere woonvormen. Volgens de Nederlandse staatssecretaris van financiën, J.C. de Jager, zijn woonwagens echter niet fiscaal gelijk aan andere woonvormen omdat er belasting toegevoegde waarde (BTW) over woonwagenhuur betaald dient te worden. Deze redenering is volgens de staatssecretaris gebaseerd op Europese regelgeving.

1. Welke Europese regelgeving is van toepassing op het fiscaal regime van huur van woonwagens in de Europese Unie?

2. In hoeverre klopt de aanname van de Nederlandse staatssecretaris van financiën dat de huur van woonwagens in een verschillend fiscaal regime valt dan andere woonvormen?

3. Is het door Nederland ingestelde fiscale regime van woonwagenhuur discriminerend ten opzichte van andere woonvormen?

4. Zo ja, is de Commissie bereid om op korte termijn deze onrechtvaardige situatie in Nederland ongedaan te maken?

E-1016/09NL
Antwoord van de heer Kovács
namens de Commissie
(1.4.2009)

1. De toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) in de EU is onderworpen aan de regels die zijn vastgelegd in Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde .

2. Aangezien deze richtlijn geen specifieke bepalingen bevat ter zake van de btw-heffing op woonwagen¬huur, gelden voor dergelijke activiteiten de algemene regels betreffende de belastbare levering van diensten.

3. Krachtens artikel 135, lid 1, onder l), van de btw-richtlijn is de verhuur van onroerende goederen vrijgesteld. Woonwagens worden evenwel niet als onroerende goederen aangemerkt.

4. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie moeten de vrijstellingen strikt worden uitgelegd. Het is bijgevolg onmogelijk om transacties die betrekking hebben op de verhuur van roerende goederen zoals woonwagens, onder de vrijstelling voor de verhuur van onroerende goederen te laten vallen. Dat er overeenkomsten zijn in de bestemming die aan deze goederen wordt gegeven, doet niet ter zake. Zo is bijvoorbeeld ook het verstrekken van accommodatie in het hotelbedrijf uitgesloten van de vrijstelling van artikel 135, lid 1,onder l), van de btw-richtlijn. De Commissie behoeft derhalve geen verdere stappen te ondernemen.

Plaats een reactie