In tijden dat Nederland bekend stond als het walhalla van goed ruimtelijk beleid was het uitgangspunt: bouwactiviteiten in uiterwaarden zijn in beginsel alleen toegestaan voor watergebonden functies. Denk aan havens en havenvoorzieningen, watergebonden industrie (beton, baksteen en dakpannen, scheepsbouw, veevoer e.d.). Maar terwijl de piekafvoeren van de rivieren groeien en de dalafvoeren dalen door de klimaatverandering wordt er aan dit principe getornd. Er valt namelijk langs de rivieren goud geld te verdienen ten koste van onze veiligheid en welzijn op de langere termijn.


De gevolgen van klimaatverandering voor het waterpeil in de grote rivieren zijn ingrijpend. De combinatie zeespiegelstijging, hogere piekafvoer en ongunstige windrichting maakt het spuien van water op de Noordzee steeds lastiger. Op zo’n moment moet de buffercapaciteit van de uiterwaarden (samen met IJsselmeer en Zeeuwse delta) voorkomen dat bv. de binnenstad van Dordrecht onderloopt. Bij langdurige droogte kan de buffercapaciteit juist helpen om het rivierwater nog enigszins op peil te houden, zodat de binnenvaart niet halfleeg naar Duitsland hoeft te varen.
Uiterwaarden zijn de afgelopen eeuw al enorm gekrompen door bedijking en bouw van villa’s -maar ook stallen, bedrijfsgebouwen- op terpen. Na het hoog water in de jaren 1993 en 1995 stelde minister De Boer een moratorium in voor bouwen in de uiterwaarden. Een lobby van CDA en VVD wist nog voor elkaar te krijgen dat de bouw van vier villaparken in Limburg werd uitgezonderd van het verbod. Bij het project Ruimte voor de Rivier dat daarna startte bleek de strategie om de hoogwaterproblematiek aan te pakken in combinatie met natuurontwikkeling bijzonder effectief. Daar moet je dan wel de ruimte voor hebben. Als die ruimte straks nóg krapper geworden is zal het terugdraaien van bebouwing op knelpuntlocaties veel belastinggeld gaan kosten. Want de particulieren die nu een peperduur optrekje aanschaffen langs een rivier hebben goeie advocaten.

Waar vroeger een simpele camping lag en je tussen 15 oktober en 15 april je caravan moest weghalen vanwege het risico op hoog water staan nu steeds vaker permanente chalets. Nog een stap verder gaat het bouwen van appartementen op terpen in de uiterwaarden. En recent stelde de commissie STOER voor om in uiterwaarden “drijvend wonen” met “… de daarbij behorende water robuuste en amoveerbare vaste voorzieningen” toe staan. Het geruststellende taalgebruik suggereert dat dit weinig kwaad kan: als het hoog water is bewegen die woningen mee met het water. Woningen hebben echter voorzieningen nodig. Woonprojecten in de uiterwaarden richten zich op het meest koopkrachtige deel van de bevolking, met twee auto’s en een camper voor de deur. Die moeten wel voor die deur kunnen komen. Ook roept dit de vraag op wat dit STOER-advies van doen heeft met het oplossen van de woningnood, waar de commissie voor in het leven geroepen is.
Bij het pleidooi van de commissie STOER voor méér ruimte om buitendijks -maar ook binnendijks dichtbij de dijk- te bouwen moest ik denken aan een discussie die ik in 2009 had met de toenmalige staatssecretaris Verkeer en Waterstaat Tineke Huizinga. Het waterschap Zuiderzeeland had in zijn beleidsplan Bouwen bij primaire waterkeringen een aantal goede spelregels geformuleerd. Zou het misschien een idee zijn om die spelregels landelijk in te voeren? Huizinga vond dat niet nodig, volgens haar kon ieder waterschap het best zijn eigen beleid voeren op dit punt. Dat gebrek aan visie en regie dreigt ons nu op te breken.
Groen-blauwe uiterwaarden zijn niet alleen uit het oogpunt van waterveiligheid van belang. Ze leveren ook natuurwaarden en recreatieruimte in de nabijheid van de steden. Feitelijk zijn de grote rivieren -inclusief het Zeeuwse estuarium- en de Noordzeekust de twee belangrijkste natuurgebieden die Nederland heeft. Die moet je niet verkwanselen voor korte termijn winstbejag.