Demissionair minister Hugo de Jonge vindt dat we niet zo moeilijk moeten doen over “kleinschalige” woningbouw buiten de steden. Straatje erbij moet kunnen. In concreto hoeven projecten van minder dan 50 woningen niet meer getoetst te worden aan de ladder van duurzame verstedelijking. Dat is een bijzonder schadelijke ontwikkeling: hij lost de woningnood niet op en zet de deur open voor nóg meer overconsumptie van woonruimte door huishoudens die er al warmpjes bijzitten. En voor het verder dichtslibben van het landelijk gebied.

Aanleiding erbij is een onderzoek van het Economisch Instituut voor de Bouwnijverheid. Het EIB kijkt vooral naar de mogelijkheden om de bouwproductie op te krikken, waarbij het accent ligt op de bediening van koopkrachtige vraag. Zie bijvoorbeeld een eerdere studie Kleine groene woonlocaties .
De Jonge bedient met dit plan de projectontwikkelaars op hun wenken. Die hebben altijd al een grote voorkeur gehad voor bouwen in het buitengebied. Dat is de plek waar je low-profile grondposities kan opbouwen. De tegenmacht van omwonenden is in het buitengebied ook een stuk kleiner: er zijn minder omwonenden en een deel van de omwonenden wordt financieel beter van een gronddeal. Tenslotte is het in de lokale politiek een koud kunstje om met het verhaal “bouwen voor onze eigen kinderen” het groene licht te krijgen van de gemeenteraad. Vandaar dat ontwikkelaars een pesthekel hebben aan de hindermacht van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
De werkelijkheid is dat die bouwplannen meestal (veel) groter zijn dan de lokale vraag van starters en qua programma ook mikken op tweeverdieners met een goedgevulde portemonnee. De gebouwde woningen komen voor een hoog percentage direct of na de eerste doorverkoop terecht bij stedelingen die in het groen willen wonen. En vervolgens begint het bouwen-voor-onze-kinderen-fabeltje weer van voor af aan.
Nu zal je zeggen: er moet toch ook een beetje in het landelijk gebied gebouwd kunnen worden? Zeker: maar dat is in de praktijk helemaal geen knelpunt, integendeel. Het Kadaster deed vorig jaar een studie naar dit fenomeen. Conclusie: in 2012 werd één op de vijf woningen buiten de bebouwde kom gebouwd, in 2022 was dit gestegen tot één op de drie. Veel meer dan nodig is op grond van de eigen-inwoners-theorie: 74% van de Nederlandse bevolking woont in de stedelijke regio’s (bron: PBL De stad verbeeld).
Het valt me op dat de beweging van De Jonge geheel in lijn is met de opvattingen van BBB, dat bij de laatste provinciale statenverkiezingen een enorme overwinning boekte. In de provinciale coalitieakkoorden wordt deze koerwijziging meestal verwoord als: waar mogelijk bouwen in/dichtbij de knooppunten, aangevuld met bouwen in de dorpen, voor de eigen bevolking en om de voorzieningen overeind te houden. De praktijk van de laatste tien jaar is dat er mét restrictief beleid buiten de stedelijke regio’s al veel meer gebouwd wordt dan gerechtvaardigd is op grond van het aantal inwoners. De achteruitgang van het voorzieningenniveau in de kleine dorpen is een feit, dus een terechte zorg. Maar die is het gevolg van de doorgaande schaalvergroting van die voorzieningen, zowel bij winkels, scholen als gezondheidszorg. Straatje erbij gaat niets doen aan die trend.
De leefbaarheid van het platteland is vooral gebaat bij een goed en samenhangend beleid op het gebied van ruimtelijke ordening, volkshuisvesting, economie en voorzieningen. Dat beleid moet vervolgens verankerd worden in handhaafbare regels, zoals een provinciale omgevingsverordening.
Het faciliteren van de bouw van nóg meer grote vrijstaande woningen en twee onder een kappers is vooral goed voor de leefbaarheid van huishoudens met een ver bovenmodaal inkomen, ten koste van de gewone stervelingen in dorpen én steden.
Meer over dit onderwerp: wijk van de toekomst