Minister Cramer van milieu en staatssecretaris Bijleveld van Binnenlandse Zaken gaan met de gemeenten praten of, en zo ja hoe, de wetgeving voor de inning van de afvalstoffenheffing wordt aangepast. Aanleiding zijn vragen die ik samen met Ronald van Raak aan hen stelde.
Op dit moment is de inning voor woningen met groepsbewoning (pensions, studentenhuizen) slecht geregeld. Veel gemeenten zien daarom geen kans om de heffing te innen. De gederfde opbrengst wordt vervolgens -via een hoger tarief- ten laste gebracht van de overige belastingplichtigen. Wij stelden voor om bij groepsbewoning de heffing ten laste van de eigenaar te brengen. Die kan deze dan via de kamerhuur doorbelasten.
antwoorden op de vragen van de leden Jansen en Van Raak (beiden SP) over de afvalstoffenheffing (ingezonden 15 februari 2008).
1. Is het waar dat de huidige wettelijke grondslag voor de gemeentelijke afvalstoffenheffing slechts de mogelijkheid biedt om de heffing in rekening te brengen bij de/een gebruiker van een woning/perceel? Zo ja, onderschrijft u dat het binnen deze grondslag voor gemeenten vrijwel onmogelijk is om op een efficiënte wijze de afvalstoffenheffing te innen voor woningen die per kamer verhuurd worden?
Er zijn diverse wettelijke regelingen en jurisprudentie op deze kwestie van toepassing. Enkele belangrijke bepalingen daaruit zijn:
€¢ volgens artikel 15.33 van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten een heffing instellen voor het bekostigen van de kosten die zijn verbonden aan het beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Degenen die feitelijk gebruik maken van een perceel waarvoor een verplichting geldt om er huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, zijn belastingplichtig;
€¢ de Hoge Raad heeft in 1990 uitgesproken dat niet als feitelijke gebruiker wordt aangemerkt diegene die verantwoordelijk is voor het gebruik van een perceel (bijvoorbeeld de verhuurder), zonder het perceel zelf te gebruiken (Hoge Raad, 23 mei 1990, nr. 26328, BNB 1990/239);
€¢ de Hoge Raad heeft in 1991 uitgesproken dat de afvalstoffenheffing wordt geheven daar waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan (Hoge Raad, 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333).
€¢ de Hoge Raad heeft in 2003 gesteld dat een gedeelte van een onroerende zaak, dat blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan, een perceel is voor de afvalstoffenheffing (Hoge Raad, 19 december 2003, nr. 38874, BNB 2004/101).
Het hiervoor staande houdt in dat de gemeente in principe de mogelijkheid heeft om een afvalstoffenheffing op te leggen aan afzonderlijke bewoners in een woning, bijvoorbeeld studentenhuizen of huizen waarin tijdelijk buitenlandse werknemers worden ondergebracht. Ook als de afzonderlijke bewoners van die huizen gebruik maken van gezamenlijke voorzieningen, bijvoorbeeld een keuken, kunnen hun afzonderlijke kamers worden aangemerkt als een gedeelte van een onroerende zaak dat blijkens indeling en inrichting is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld afvalstoffen kunnen ontstaan.
2. Is u bekend dat met name in de grote steden en gemeenten met een regionale centrumfunctie vele duizenden kamerverhuurpanden en pensions staan, waar om deze reden geen afvalstoffenheffing in rekening gebracht kan worden? Vindt u dit wenselijk aangezien de bewoners van deze panden vergelijkbaar of meer gebruik maken van de gemeentelijke faciliteiten dan de bewoners van reguliere woningen?
Gelet op het soms grote verloop in bijvoorbeeld studentenhuizen en huizen waar buitenlandse werknemers tijdelijk worden ondergebracht, kan het opleggen en innen van de afvalstoffenheffing in genoemde panden tot praktische problemen leiden. De manier waarop gemeenten hiermee omgaan, verschilt.
Er zijn bijvoorbeeld gemeenten die de heffing opleggen aan de bewoner die het langst als bewoner van een pand staat ingeschreven. Andere gemeenten maken afspraken met de verhuurder dat de heffing in rekening wordt gebracht bij de verhuurder van een pand, ondanks dat die geen feitelijk gebruik maakt van het pand, die het vervolgens verrekent met de huurders van zijn pand. Het is ook mogelijk dat een gemeente geen afvalstoffenheffing oplegt aan de feitelijke gebruikers van genoemde panden en de hierdoor misgelopen inkomsten verrekent in de afvalstoffenheffing of een andere heffing voor de overige inwoners van de gemeente.
Het vaststellen en innen van de afvalstoffenheffing behoort tot de verantwoordelijkheid van de gemeente.
3. Heeft u gegevens over de inkomstenderving die gemeenten hierdoor lijden, waardoor ze in feite gedwongen worden dit verlies te verrekenen in de tarieven voor de overige woonhuizen?
Gemeenten hoeven geen inkomstenderving te lijden als ze bij de berekening van de gemeentelijke heffingen uitgaan van netto-bedragen. Dat wil zeggen dat ze bij het vaststellen van de gemeentelijke heffingen rekening houden met bedragen die oninbaar zijn, bijvoorbeeld een afvalstoffenheffing voor een studentenhuis, en die oninbare bedragen vervolgens op andere belastingplichtigen in de gemeente verhalen. Dat verhalen kan plaatsvinden via een hogere afvalstoffenheffing voor de bewoners van de gemeente waar wel een afvalstoffenheffing wordt geheven of via een algemene heffing als de Onroerende Zaakbelasting (OZB). Ik heb geen overzicht over hoe gemeenten hier mee omgaan.
4. Bent u bereid te onderzoeken of de wettelijke grondslag voor de afvalstoffenheffing zodanig kan worden aangepast, dat in geval van kamerverhuur de eigenaar belastingplichtig is, zoals in het verleden ook het geval was bij het gebruikersdeel van de OZB voor kamerverhuurpanden en pensions?
De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en ik zullen bezien of het wenselijk of noodzakelijk is om de geldende wetgeving op dit punt aan te passen. Daartoe zullen we onder andere de Vereniging Nederlandse Gemeenten raadplegen. Over het resultaat daarvan en eventueel vervolgstappen zal ik uw Kamer vóór het zomerreces informeren.
Hoogachtend,
de Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
dr. Jacqueline Cramer