De Utrechtse Domtoren, gebouwd in 1254, was met zijn 112 meter hoogte ruim zeshonderd jaar het hoogste gebouw van Nederland. Het schip van de Domkerk stortte in 1674 in tijdens een storm, maar de toren bleef staan. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen?
Rob Nijsse, kersvers hoogleraar ontwerpen en draagconstructies aan de TU Delft, legt vandaag in het Financieele Dagblad het geheim van de Domtoren uit: een hoge knikfactor.
Als je een hoog slank gebouw zijdelings belast -bijvoorbeeld door de wind- komt er een moment dat de buigstijfheid van het gebouw de verplaatsing niet meer kan opvangen, “knapt er iets” en stort het gebouw plotseling in. Dat heet knik.
In de natuur weten grassprieten en bamboestengels dit moment lang uit te stellen door hun een grote buigzaamheid. Maar de architect van Domtoren heeft een andere strategie gevolgd: hij heeft de constructie zó zwaar gemaakt dat die door de wind amper uit het lood te krijgen is. De Dom staat als een rots in de branding.
Bij een knikfactor kleiner dan 2 dreigt er directe instorting, bij een knikfactor onder de 10 zit je in de gevarenzone. Het Empire State Building in New York heeft een knikfactor van 12 en het huidige hoogste gebouw van Nederland -de woontoren Montevideo in Rotterdam- haalt een knikfactor van 14. Maar de Domtoren staat eenzaam aan de top met 67. Een constructeur vindt dat overkill van materiaal. Ik noem dat ouderwetse degelijkheid.